Cornelia Velthuysen en Aernout Crayvanger

Geplaatst

Vorm:       Weigering
Jaar:          1699
Gewest:    Holland
Plaats:       Rotterdam

 

Onvermurwbare vader

Aernout Crayvanger schreef eind januari 1699 een brief aan zijn vermoedelijke voogd of vertrouwensman dominee Johannes Texelius, of zoals hij hem noemt: Tagselius[1]. Johannes Texelius (1637-1712) was professor in de theologie te Rotterdam[2]. Aernout meldt in de gunst van Cornelia Velthuysen geraakt te zijn, maar dat hem na de weigering van de vader om een huwelijk toe te staan de toegang tot Cornelia was ontzegd. Zo had hij ‘de eer van meergemelde Juffer te moogen mijn diensten komen presenteren (…) maer ook des anderen daags, smorgens als ik mij d’eer gaff (van mijn heer haar papa), tselve nog meermalen te versoeken’. Hij werd steeds geweigerd ‘waardoor ik mij inde verlegenste staat des werelds vindende’. Die verlegenheid betekende dat hij op pijnlijke wijze besefte dat hij gezichtsverlies leed door zijn herhaalde verzoeken, dat zijn eer in het geding was. Hij voelde schaamte. Er zijn geen redenen voor de weigering aangegeven in de stukken. Isaac Velthuysen zal zich verre verheven hebben gevoeld boven Aernout en met hem in een verticale eerverhouding hebben gestaan. Waarom hij dan toch de relatie tussen Aernout en Cornelia gedoogde, wordt niet duidelijk. Vertrouwde hij haar de omgang met een jongeman toe in de veronderstelling dat zij wel zou weten waar haar prioriteit lag?

Tot Aernouts grote vreugde bleef Cornelia hem trouw ondanks haar vaders besluit. Hij schrijft vervolgens dat die trouw en liefde zich kenbaar maakten ‘in sulken voegen, dat ik haar Edele vont van huis te willen gaan mij d’eer heb gegeven, van haar te accompanjeeren’. Aernout vroeg Tagselius zijn partij te kiezen en met Velthuysen te praten ‘soo ver U Edele Eerweerdighijts respect toelaet (…) om als een vader (die gij van god zijt gesteld), over weesen, te bevredigen’. Hij moest haar vader verzekeren dat ‘ik met de grootste onderdanigheijt, en lieffde, altijd zijn Edele zal tragten te behagen, biddende wel ootmoediglijk, dat zijn Edele niet langer onse lieffde wil verhinderen, maar ter contrarie met zijn vaderlijke hert, wil onderschragen, daar ik zijn Edele vrugten van hoop te toonen, die hem behaaglijk en aangenaam sullen sijn.’

Deze opmerkingen geven weer dat Crayvanger zich in zijn eer voelde aangetast door de weigering. Hij koppelde eer aan personen: de eer van Cornelia, de eer van hemzelf. Hij gaf eer aan zichzelf door haar te willen vergezellen. Aernout was duidelijk gestreeld door haar ‘inclinatie’, haar keuze voor hem, althans dat beweerde hij. Hij meende daardoor instemming te hebben voor zijn gedrag en een rechtvaardiging voor zijn pogingen haar op te zoeken. Door te appelleren aan de reputatie van Tagselius vroeg hij deze haar vader te beïnvloeden. Van belang is het woord ‘accompanjeeren’, dat voor hem en Cornelia niets meer betekende dan het haar vergezellen wanneer zij van huis gaat. Of hij bewust koos voor deze verzachtende term voor een schaking, die nog moest plaatsvinden, is niet duidelijk.

Maar zijn medewerking had kennelijk aansporing nodig. Cornelia moest volgens een door haar na hun vertrek opgestelde notariële verklaring nogal wat moeite doen om Aernout zover te krijgen. Zij geeft daarin weer dat zij enige tijd met Aernout conversatie had gehad ‘ende daerop aen haer vader Isack Velthuysen heeft laeten versoecken ter fine van houwelijk’. Maar haar vader had dit niet alleen afgewezen maar ook Aernout verboden met haar te spreken. Aernout wilde toen maar afscheid nemen van haar. Cornelia kreeg hiervan kennis en gaf aan hem buiten het huis van haar vader te willen spreken. Dat ‘sij gedagt hadde, dat hij Crayevanger meerder genegentheit voor haar zoude hebben, als dat hij op het afslaen van haar vaeder daetlijck van haer zoude afsien, dat zij geneegen was, vermits de groote liefde die zij hem toedroeg, alles voor hem te waegen, en soet en suur met hem te deijlen.’ Aernout toonde dezelfde genegenheid. Toch had ‘zij met veele moeijten den voornoemden Crayevanger […] gepersuadeert omme met haar comparante uijt haer Vaders huijs elders te gaen om te sien of zij inmiddels haar Vader zoude konnen persuaderen tot het toestaan van een houwelijck’. Daarna heeft zij zich met Aernout ‘uijt haer vaeders huijs effectivelijck alhier […] getransporteert’.

Aernout wilde dus niet eens met haar mee, althans dat zegt Cornelia. Haar strategie laat zien dat zij druk zou hebben uitgeoefend op haar vriend, terwijl die zegt uit liefde met haar mee te zijn gegaan. Met enige moeite kunnen we, kijkend naar de regelgeving, zeggen dat het nu Cornelia was die Aernout verleidde tot een schaking. Dat hoge spel kon zij alleen spelen als zij niet de hoop en verwachting had dat haar vader wel zou toegeven. Overigens is er in het dossier geen melding van een andere kandidaat.

 

‘Het kan niet bestaan’

Cornelia Velthuysen verliet met Aernout Crayvanger haar ouderlijk huis op 2 februari 1699[3]. Enkele getuigen beschreven op 18 februari 1699 voor een notaris hoe het in zijn werk was gegaan. Ariaantje Rosa, dienstmeid bij Isaac Velthuysen, deed dat op verzoek van haar werkgever. Cornelia had haar op 2 februari 1699 omstreeks vijf uur gemeld dat zij naar een vriendin wilde gaan en dat Ariaantje haar moest begeleiden. Aldaar aangekomen kon ze nog niet ontvangen worden waarop Cornelia zei dat ze nog eerst een boodschapje moest doen. Toen zij en de meid de brouwerij verlieten en een paar huizen verder waren, kwam hen een man tegemoet, van middelmatige lengte en dikte, in het zwart, het haar opgestoken en met een degen aan de zijde. Die heette, naar de meid is bericht, Aernout Crayvanger. Hij sprak Cornelia aan en samen zijn ze naar de Goudse Poort van Rotterdam gewandeld. Daar bleven de twee een kwartier spreken. Ariaantje werd naar huis gestuurd en gelast om Cornelia bij de vriendin ‘s avonds om 8 uur op te halen. En zo vertrok de meid, de twee achterlatend. Een andere getuige hoorde bij de Goudse Poort de twee ernstig spreken en Cornelia tegen Aernout zeggen: ‘Ik derf het niet doen, wat sal mijn Papa seggen, het kan niet bestaan, dat ik mee ga’, haar handen ineenslaand en uit elkaar halend ‘trachtende verscheijde malen van de voorseide manspersoon aff, en na de voorschreevene dienstmeijd toe te gaen’.

 

Mandement van spolie

Cornelia Velthuysen en Aernout Crayvanger gingen op 11 februari 1699, dus negen dagen na hun vertrek, naar een notaris te Amsterdam. Daar lieten zij vastleggen wat er volgens hen was gebeurd en hierboven is weergegeven. Cornelia Velthuysen schreef haar vader de dag na haar vertrek om niet ongerust te zijn. Hij kon wel weten waarom zij was weggegaan, ‘namentlijk dat ik anders geen uijtkomst heb gezien van U edele te bewegen, en ik in de grootste verlegentheijt des werelds ben, dat U edele denken mogt dat ik een ongeluk hadde’. Ze eindigde haar brief met het uiten van alle respect voor hem.

Aernout had aan Tagselius, die hem op zijn eerste brief blijkbaar ernstig had vermaand, gereageerd op 11 februari 1699[4]. Het antwoord van Tagselius kennen we dus niet rechtstreeks. Aernout merkte in zijn reactie op dat hij Tagselius’ ‘Eerwaardighijts, scherpe berisping, uw goet en vaderlijk herte daarin bespeurt, hoewel ik wel voor mijn God en Uedele bekenne, kwalijk gedaan te hebben’. Hij besefte dus goed dat hij fout had gehandeld. Er was volgens hem geen verschil in stand met haar, behalve dan ‘ligtelijk in ’t gelt’, maar hij vond zichzelf wel in staat om in het onderhoud van Cornelia te voorzien. Aernout legde de nadruk op ‘de teederste passie van Lieffde, tot dit soete mens’. Hij kon haar niet laten gaan. Tagselius had hem oneerlijk genoemd, dat moet in een opwelling zijn gebeurd. Tagselius zou begrip voor Aernouts handelen hebben gekregen ‘indien ik mijn heer U edele had kunnen seggen met wat effecte, van suvere lieffde dese Juffer (die ik onveranderlijk voor haar Edele houden zal) beminde’. Tagselius verklaarde Aernouts gedrag dus voor oneerlijk, al weten we niet precies waarom: zijn liefde tot Cornelia of het feit dat hij met haar is doorgegaan? Wat Aernout ook ‘seer smertelijk’ voorkwam, was dat Cornelia’s vader zo verstoord was over de zaak. Hij hoopte in de nabije toekomst zulk een ‘comportiment’ te hebben dat de gevoelens van de vader kunnen worden omgezet in iets positiefs over wat nu zoveel misnoegen heeft gebaard. Aernout verzocht de professor dan ook of die ‘soo veel goetheijt wil nemen, om dogh de saak met welgemelde heer Velthuysen, en mij te bevredigen’. Dat is een verzoek om te komen tot een accommodatie en staisfactie.

Al deze mooie woorden hadden slechts één en voor het paar ongewenst effect: harde juridische actie. Vader Isaac Velthuysen stelde geen achtervolging in, reageerde niet op smeekbeden, maar stapte naar het Hof van Holland en vroeg de procureur-generaal om in te grijpen, geheel in de lijn van het schakingsvertoog. Hij had bijna drie weken gewacht op de terugkeer van Cornelia sinds die op 2 februari was vertrokken. Het Hof van Holland vaardigde op 20 februari 1699 een mandement van spolie uit. Dat wil zeggen dat een beroofde weer in het bezit wordt gesteld wat hem zijns inziens onrechtmatig wordt onthouden. Met andere woorden: Cornelia, het ‘voorwerp’ dat zijn eigendom is en van hem is afgenomen, moet weer bij hem worden teruggebracht. Het mandement stelt dat Aernout Isaacs dochter, oud 16 jaar, op 2 februari deed ‘ontvoeren en daermede door te gaen, ’t welck alsoo onbetamelijck en voor den suppliant niet lijdelijcken is’. Het bevelschrift beval Aernout om ‘de voorseide ontvoeringe als een notoire spolie te repareren, en diensvolgens haar Comparante aan haar vader wederom te laten volgen, ende ter handen te stellen’.

In deze formulering zien we dat ontvoering en doorgaan als één handeling wordt beschouwd en wegens de eerverkortende karakter voor de vader niet te accepteren zijn. Door haar terug te brengen zou hij de eer van de familie, van de vader weer herstellen, en heel misschien ook zijn eigen reputatie. Aernout moest op 9 maart aan commissarissen van het Hof zijn gedrag toelichten.

Dit wekte grote verontwaardiging bij het paar, en vooral bij Cornelia, althans zo doet zij voorkomen. Zij liet dat de volgende dag vastleggen in een notariële akte voor een notaris te Culemborg waar het paar zijn toevlucht had genomen. Die akte was bedoeld voor de commissarissen van het Hof. Net als op 11 februari te Amsterdam stelde zij ‘dat gemelte Aernout Crayvanger haar Comparante niet ontvoerd heeft, maar dat sij Comparante na een Eerlikke vrijage aan hem Crayvanger ten Egten state verloofd, sijnde sij comparante self hem Crayvanger aan de hand gegeven hadde’ en ook dat een zekere vriendin aan Tagselius in Rotterdam zou schrijven om haar vader te verzoeken om acces voor het paar en consent voor hun huwelijk. Aernout had dit naderhand op ‘behoorlikker wijse’ persoonlijk herhaald. Ze had haar vader duidelijk gemaakt dat zij zijn liefde beantwoordde ‘hoewel sij dit uijt een kinderlikke vrese en respect niet duijdelijk hadde derven seggen’. Ze had zo bemerkt dat ze haar vaders consent niet zou krijgen. Ze was dan ook ‘selfs op gelegenthijd uijt geweest omme haar van haar vaders huijs te absenteren, ende haar bij hem Crayvanger te voegen’. Dit voornemen had haar vader of zijn familie kunnen vernemen ‘uijt dien bij haar vertrek een doos gepakt met linnen en ander Juffrous gestel, ende hare klederen gereet leggende, sullen bevonden sijn, die se nogtans niet d’occasie hadde mede te nemen’. Zij had Aernout verzocht bij haar te blijven tot dat zij haar vaders toestemming voor het huwelijk had verworven. Dat betekende dat zij geen enkele behoefte had om alleen in Culemborg te zijn; ze had hem nodig om er eerbaar te kunnen verblijven. Ze meldt ook dat Aernout haar ‘ernstelijk’ had vermaand om vaderlijke acties te voorkomen, haar naar huis te begeven. Ook dit is een eeraspect, namelijk dat het haar eigen besluit was dat zij geen vergiffenis zou vragen en dat Aernout juist alles heeft gedaan om haar tot inkeer te brengen. Hij wordt hiermee als het ware van elke schuld bevrijd, althans wat zijn mogelijke dwang jegens haar betrof.

Hier zien we de volkomen verschillende opvattingen over het vertrek. Vader vond het ontvoering, doorgaan en spolie, het paar noemde het absenteren. Vader beoordeelde de daad als niet betamelijk en onlijdelijk, dus iets wat hij niet over zijn kant kon laten gaan. Het paar meende juist een eerlijke vrijage te zijn aangegaan, uitmondend in een verloving. Dat is de kern van deze zaak: de eer van de een tegen de eer van de ander. Op deze wijze trachtte het paar tevergeefs uit te komen uit de ‘houdgreep’ van het schakingsvertoog door termen uit het tegenvertoog te gebruiken.

Cornelia schreef verder. Aan de ene kant dacht ze na lang bidden en smeken haar vaders consent te krijgen, aan de andere kant was ze bevreesd dat ze vanwege het afgescheiden zijn van degene die zij naast God bemint, haar leven in ellende en droefheid, in mijn woorden: eerloos, zou eindigen. Daardoor kon zij niet goed besluiten tot terugkeer. Aernout had haar gezegd dat hij naar de commissarissen van het Hof wilde gaan of een procureur aanstellen om zijn zaak waar te nemen. Maar dat eerste wilde ze niet, dat hij zich in persoon van haar zou absenteren, zo lang haar vader niet in het huwelijk had ingestemd. Blijkbaar vreesde ze dat Aernout zou worden opgesloten in de Voorpoorte in Den Haag en misschien nog wel erger, zij als jonge vrouw alleen in Culemborg zou moeten achterblijven. Ze laat verder vastleggen door de notaris dat ze alles deed uit haar vrije, eigen wil, zonder daartoe aangezet te zijn door Aernout. Ze hoopt dat de heren commissarissen haar smeekbede verhoren en ten gunste van haar mogen beslissen, die zich haar door onverbrekelijke ‘Eeden met hem Crayvanger ten Egten state heeft verbonden’.

Haar vader liet niets van zich horen. Dat was zijn houding: geen direct contact, hooguit via zijn zuster Cornelia van Muijden laten weten wat zijn opvatting was. Cornelia was daarover bedroefd en schreef hem op 2 maart dat ze alleen maar een brief van haar “tante van Muijden” had ontvangen maar niet van hem. De tante had haar geadviseerd weer bij haar vader terug te keren. Cornelia wilde dit alleen doen als hij schriftelijk zou vastleggen dat hij zal ‘consenteren int houwelicks verbont dat ik met Crayvanger heb aangegaen’. In feite stelt ze haar schande tegenover die van haar vader. Ze bekende dat het zeer kwalijk was wat ze gedaan had zonder ‘papaes consent’. Ze had hem diverse brieven gestuurd waarin ze ‘groot berouw en leetwesen’ heeft getoond, ‘men geeft Crayvanger na als of hij mij met gewelt gerooft had dat is onwaeragtigh want ik met eigen vrije ongedwonge wille en uit enkle egte liefde lieber (liber, vrij -RH) ben heen gegaen’. Ze betoonde haar vader het grootste kinderlijk respect. Haar beantwoorde liefde voor Aernout zag ze’“als een bestieringe vanden Heere onsen god die mij vervolgens met Crayvanger soo verre heeft geangageert.’ Ze kon hem onmogelijk verlaten en zou nog liever willen sterven als ‘papa wilde gedogen dat ik al mijn leeve daegen in schande en smaetheijt voor al de werelt soude doorbrengen hoe soude dat U edele vaderlijke genegentheijt kunnen toestemmen’.

Diverse argumenten voor haar opstelling passeren de revue. Het was liefde, het was slechte communicatie met haar vader, ze was al met Aernout getrouwd en nu was het alleen nog maar even zaak om dat te bevestigen, het was Gods wil, ze had berouw over haar ongehoorzaamheid getoond. Maar haar sterkste argument laat ze in die laatste zin zien: haar vader moest wel toegeven, want hoe kon hij leven met de situatie dat zij de rest van haar leven in schande en smaad zou moeten doorbrengen? Haar wil en eer stonden tegenover die van haar vader. Door weg te gaan creëerde ze de dwangsituatie dat de oplossing voor de crisis wat haar betreft alleen maar kon zijn: haar onderwerping aan hem in ruil voor zijn toestemming. Dit toont aan hoe zij met haar persoonlijke eer in relatie tot die van haar vader omging. Net als bij die van Sara van der Dussen in het Kermisch-praetgen ( zie elders in deze databank) omvatte haar eer meer dan het beschermen van haar maagdelijkheid. Ze schatte, zoals zal blijken ten onrechte, in dat haar gedrag de eer van haar vader zo zou verkorten dat hij wel moest toegeven. Dat was het spel dat zij hoog speelde. Haks merkt op: ‘Aan de andere kant zijn er vele tekenen dat de overtuiging leefde dat het ‘doorgaan’ als de enige uitweg werd gezien.’ .[5]. Die enige uitweg voor Cornelia was haar eer en dus haar ‘man’ te volgen en niet die van haar familie.

Tante stelde voor om naar haar vaders huis te komen en vergiffenis te vragen. Cornelia vreesde echter dat hij haar geen vergiffenis zou willen schenken, dan zou Crayvanger misschien tot desperate actie kunnen overgaan ‘die voor godt nu om soo te spreeken nu mijn egte man is’. Deze zin duidt erop dat het paar hun verbintenis geconsummeerd heeft. Dus ook deze illegale aantasting van haar maagdelijkheid werpt ze in de strijd, want die moet haar vader dwingen tot instemming om zo haar en zijn eer te repareren. Ze vervolgt haar brief met de opmerking dat haar vader haar zou zien wegkwijnen in de weinige dagen die haar nog zouden resten. Ze hoopt dat hij zich over hen beiden zal ontfermen en consent zal geven, zo bidt zij dag en nacht. Nog weer een argument tegen haar vader: bij ontstentenis van toestemming zal zij snel sterven en dat is zijn schuld, omdat hij de macht heeft er iets aan te doen. Ze wil dus ook helemaal niet definitief met Aernout weggaan, ze wil terugkeren in de eergroep van haar vader, bij haar familie, maar wel met Aernout als haar wettige echtgenoot.

Op dezelfde dag, 2 maart 1699, schrijft ze naar haar oom Pieter van Muijden om ook zijn invloed aan te wenden en haar vader tot vergeving te bewegen. Ze hoopt dat haar oom “mijn en Crayvanger soo geluckig gelieft te maken wij sulle beijde al ons leeven dagen oom voor dese weldaet met alle respekt en onderdanigheijt dankbaer sijn”. In dezelfde periode antwoordt ze haar tante die haar op 26 februari 1699 een brief had gestuurd. Die zit niet in het dossier. Cornelia schrijft dat zij best haar tantes raad wil opvolgen en naar huis komen als haar vader schriftelijk consent verstrekt voor haar huwelijk met Crayvanger “alsoo ik al eenigen tijd tevooren eer ik uijt papaes huijs ging met hem verbonden heb geweest en ik selfs heb goedgevonden en Crayvanger daer toe versogt dat hij bij mij buijten papes huijs geliefde te blijven totdat wij papes consent soude hebben verkregen”. Ze hoopt dat haar tante haar best doet, haar vader is de liefste persoon; laat hem toestemmen in het huwelijk met degene die voor haar naast papa en God het allerliefst op de wereld is.

In een brief van 2 maart 1699 aan haar nicht Cornelia van Muijden meldde ze dat zij wel weet in welke staat zij zich bevindt. ‘Die is dat met de heer Crayvanger na een eerlijke vrijasij met hem ten huwelijk verbonden sijnde’. Ze is van huis gegaan en blijft bij Crayvanger totdat haar vader toestemming geeft. Maar ondanks allerlei brieven is dat niet gebeurd, vandaar dat ze haar toevlucht nam om hem tot toestemming te bewegen. Haar vader zal zeggen: ‘sij heeft het mij noijt gevraegt hoe kan ik het haer dan geweigert hebbe’. Maar hij weet ook dat als er maar iets op Aernout is aan te merken dat ze dan nooit zonder haar vaders zin iets zou doen. Haar keuze was al op Aernout gevallen hoewel ze dat niet heeft durven zeggen ‘dewijl de eerbaerheijt en het kinderlik respekt niet toe en liet’. Ze zegt: ‘Waarde nigte ik hebbe gevalle en ben ook weder opgestaen met veel verscheijde ootmoedige brieve en smekinge om vergiffenisse aen mijn lieve Papa.’ Ze vermoedt dat hij haar eerst thuis wil hebben maar dan zal volharden in zijn weigering. Hij zou dan twee zielen scheiden die in één lichaam zitten. Ze hoopt dat haar voorspraak en ‘poevoir’ succes hebben.

De periode tussen het vertrek, 2 februari 1699, en de laatste brief die zich in het dossier bevindt, duurde een maand, namelijk tot 2 maart 1699. Hoe de communicatie en de onderhandelingen zijn vervolgd, is niet bekend.  Cornelia Velthuysen keerde terug naar huis. Waarom is niet duidelijk. Ze huwde in 1701 met Harmen Graswinckel en kreeg diverse kinderen. Hij stierf in 1721. We weten niet wanneer en waar Cornelia is overleden. Wat Aernout Crayvanger is overkomen, is niet zeker. [6] Gijswijt-Hofstra noteert merkwaardig genoeg dat in rond 1725 Cornelia Velthuysen en Arnout Crayvanger, Echte Lieden, asiel aanvroegen in Culemborg wegens het geen toestemming hebben om te mogen trouwen. [7] De bron waarnaar zij verwijst, is helaas niet meer aanwezig. [8] Het echtpaar hoefde wegens hun meerderjarigheid geen huwelijkstoestemming meer aan te vragen. Als deze registratie klopt, zouden ze dan naar Culemborg gevlucht zijn voor haar boze familie? We zien overigens in andere zaken ook wel dat er toch na jaren een officieel huwelijk had plaatsgevonden, bijvoorbeeld bij Margaretha van Boshoff en Henrik Evers, Aeltje Olinga en Jan Clunder, en Anna van Wouw en Jurriaen Everhard.

[1] NL-HaNA Toegang 3.03.01.01 Hof van Holland, inv.nr. 12281.

[2] NNBW, deel 5, 903.

[3] NL-HaNA Toegang 3.03.01.01 Hof van Holland, inv.nr. 12281.

[4] De brieven van Aernout aan Tagselius zijn alleen in kopievorm in het dossier aanwezig.

[5] Haks, D. Huwelijk en gezin in Holland in de 17e en 18de eeuw: processtukken en moralisten over aspecten van het laat 17e- en 18e eeuwse gezinsleven (Assen 1982), 127.

[6] De VOC-opvarendenlijst, te vinden op de site van het Nationaal Archief, levert een Aarnout Craaijvanger uit Amsterdam op, die in 1710 als bottelier op het schip “Oosterstein” was aangemonsterd. Zijn vrouw was Adriana Nij. In 1717 was hij uit dienst getreden. De naam Aernout Crayvanger komt ook voor in een artikel over de wolhandel met wat nu Iran heet. Hij zou als wolexpert in 1711 daarnaar toe zijn gezonden. Matthee (1993), 372.

[7] Gijswijt-Hofstra, M. Wijkplaatsen voor vervolgden. Asielverlening in Culemborg, Vianen, Buren, Leerdam en IJsselstein van de 16de tot eind 18e eeuw (Dieren 1984), 210. Ze geeft als bron op: NL-AhGldA Archiefnummer 0370 Heren en Graven van Culemborg, inv.nr. 2992.

[8] Volgens mededeling van het Gelders Archief aan mij is het bewuste dossier in 2000 uitgeleend aan een instelling en niet teruggekomen.

 

Download:

NL-HaNA Toegang 3.03.01.01 Hof van Holland, inv.nr. 12281 (deel 1).

NL-HaNA Toegang 3.03.01.01 Hof van Holland, inv.nr. 12281 (deel 2).