De familieruzie om Truda Clant

Geplaatst

Vorm:       Familieruzie
Jaar:          1667
Gewest:    Groningen
Plaats:       Groningen

 

“Niet mooge werden misleidet ende vervoert”

Voor de schaking van de dertienjarige Truda Clant en haar zeventienjarige tante Bouwina Auwema door Lucas en Willem Clant in 1667 maak ik gebruik van het artikel van N. Tonckens uit 1962 en de daarin weergegeven stukken uit de procesdossiers[1].

De betrokkenen waren allen verwant aan vooraanstaande Groninger adellijke families. Tonckens beschrijft deze zaak in het licht van de machts- en rechtsverhoudingen in het gewest Groningen. In 1667 was er een politiek conflict ontstaan tussen twee partijen in de Ommelanden. De vertegenwoordigers uit regio’s Fivelingo en Hunsingo namen de macht over van die uit het Westerkwartier. De verliezers trachtten zich aan te sluiten bij de stad Groningen, als vanouds de gemeenschappelijke vijand van de Ommelanders. De voogden van Truda bevonden zich in de twee strijdende kampen. Die van vaderszijde maakten deel uit van de nieuwe machthebbers en steunden de Ommelander zaak. Die van haar moederszijde, waartoe de familie Coenders behoorde, waren de belangen van de stad Groningen toegedaan[2].

Truda Clant was een rijke erfgename, althans er was sprake van een bedrag van 30.000 gulden dat zij kon verwachten. Daarover bestond onenigheid tussen de voogden. Haar echtgenoot zou heer van de borg Aykema te Grijpskerk worden, een positie van belang. Ze werd opgevoed door haar grootmoeder, Etta Coenders, de tweede vrouw van Truda’s grootvader. Etta was niet als voogd benoemd. De opvoeding van Truda was niet vrijblijvend, want er was een contract met Etta afgesloten door de voogden. Etta ontving kostgeld en een vergoeding voor een gouvernante en een meid. Voor de kamers die Truda in Etta’s huis in de stad bewoonde, ontving ze huur. De grootmoeder moest “goede opsicht ende sorge draagen voor dese haere pupille, ten einde deselve van d’eene off ander persoon niet mooge werden misleidet ende vervoert.” Maar het was de voogden bekend geworden dat zij Truda toch “aen d’eene off ander hadde geëngageert, buiten derselver kennisse, wieten ende willen. Ditselve wierde dagelijcx meer ende meer gepractiseert van anderen (wie is onbekend -rh), soo trachteden de affectiën van dese haere pupillen buiten derselver consent te gewinnen.” Dit werd de voogden duidelijk in het voorjaar van 1667. Wie Etta op het oog had, is niet vermeld. De voogden besloten Truda elders onder te brengen.

Niet alleen Etta zocht een kandidaat. Ook Truda’s voogd van moederszijde, Bocco Ketel, deed dat in die tijd en benaderde Mello Coenders op 5 februari 1667. Ketel beloofde zijn best te doen om hem aan Truda te koppelen. Als dat slaagde zou hij daarvoor geld krijgen of de toezegging dat een weeshuis 8000 gulden zou ontvangen. De andere voogden zochten eveneens een kandidaat en vonden die in de persoon van Lucas Clant, hun neef en Truda’s achterneef.

 

Criminele ontvoering of een plezierreisje?

Op 18 juli 1667 was Truda Clant samen met haar tante Bouwina Auwema geschaakt, althans dat beweerde de benadeelde partij. Of hadden, zoals de andere partij stelde, Lucas Clant en zijn oom Willem Allard Clant op die dag met de twee jongedames een plezierreisje gemaakt en hadden ze naar het dorpje Spijk moeten reizen omdat ze ‘s avonds voor de gesloten poorten van de stad Groningen stonden. In Spijk woonde Lucas’ stiefvader Reint Ubbena, die ook Truda’s voogd was. Willem Clant verbleef daar bij zijn zus Maria, de vrouw van Reint. Net als in andere zaken gaven de partijen dus verschillende lezingen van de gebeurtenissen.

Etta Coenders was boos over de actie. Conform het schakingsvertoog stelde ze dat een criminele ontvoering had plaatsgevonden. De daders waren “rapteurs”, de helpende voogden waren als medeplichtigen schuldig.

Het tegenvertoog van de tegenpartij zien we enige maanden later op 21 januari 1668 geformuleerd worden. Die partij meldde dat ze Lucas na gedurig aanhouden bereid had gevonden om Truda op te wachten, haar affectie te winnen en haar tenslotte ten huwelijk te vragen. Het plezierreisje paste volgens de tegenpartij in dit streven. Er was dus niets aan de hand. Maar volgens Tonckens moeten we dat met een korreltje zout nemen. Ze vermoedt dat de “ontvoering” (aanhalingstekens zijn van Tonckens) door de voogden op touw was gezet om Truda uit de woning van Etta te kunnen halen en haar uit te huwelijken nu de familie daar niet eensgezind over was. Maar of er sprake was van een schaking volgens het Ommelander Landrecht was volgens haar betwistbaar. Het desbetreffende artikel 43 bepaalde: “Item soo wie een Jonck-vrouwe ofte een Vrouwe entschaket, dat is tegen haren willen ende tegen de wille van haer Olderen ofte voorstanderes entvoert, al geeft de selve Vrouwe ofte Jonck-vrouwe daer nae haer consent daer toe, so salmen dien nochtans straffen aen den Hals, soo verre de Vrunden voor Recht komen dagen. In gelijcken manieren sal men straffen den genen, die ander luyden kinderen om die Olderen te schatten ofte om de Kinderen te vervremden, vervoeren ofte vervoeren laten.”

Tonckens haalt drie uitspraken van Truda aan, gedaan tijdens haar verblijf in Spijk. De eerste van 24 juli deed ze op verzoek van Etta Coenders, ze beweerde ze dat ze tegen haar zin was weggevoerd. De tweede was van 27 juli in het bijzijn van de predikant van Spijk en de ‘wedman’, een functie te vergelijken met een tegenwoordige deurwaarder. Toen zeiden zij en haar tante Bouwina dat de schaking met hun instemming was geschied. Op 30 juli vertelde Truda aan Reint Ubbena en zijn vrouw, dat ze Lucas niet als echtgenoot wenste: “Ick mag Joncker Lucas niet lijden en ick hebb’ Joncker Lucas mijn leevent niet lijden moogen”. Tonckens vindt de tweede uitspraak het meest vertrouwenwekkend[3]. Of die werkelijk geloofwaardig was, kunnen we niet achterhalen. Wel zeggen de uitspraken iets over de eerpositie van Truda Clant. Net als in andere casussen gaf de jonge vrouw haar verklaring af ten gunste van degene onder wiens gezag ze op dat moment stond. We moeten deze bekentenissen in dat licht beschouwen.

Als ik de gang van zaken in deze casus vergelijk met andere in deze figuratie, dan had de ‘schakende’ familie een rechtvaardigingsgrond: ze had alle recht om Truda te vervoeren en te koppelen aan een man van haar keuze. Er speelde niet zozeer een schaking, maar onenigheid binnen het gezelschap dat de voogdij uitoefende. En die onenigheid werkte door in de eer van de betrokkenen. De genoemde definitie spreekt van ontschaking als tegen de wil van haar familie en daarvan was nu juist geen sprake.

 

Twee keer geschaakt

Dat gold wel voor Bouwina. Haar moeder Etta was tegen haar wegvoeren. Van voogden over Bouwina wordt niet gesproken in de stukken. Zij was wellicht minder interessant vanwege het feit dat zij niet zou gaan beschikken over een grote erfenis. Uit de bronnen kunnen we opmaken dat haar eerste schaking op 18 juli 1667 past in de figuratie De Eigenrichting. Niets wees erop dat Bouwina en Willem Clant een relatie hadden of wilden hebben. Vanaf haar terugkeer in de stad Groningen eind juli 1667 werd zij onder druk gezet door haar ouders, onder wie haar moeder Etta Coenders, om Willem te vergeten. Ze moest schriftelijk beloven nooit met hem te trouwen. Kennelijk had Etta’s Willems bedoelingen doorzien, want hij zette zijn zinnen op haar. Dat blijkt uit twee incidenten.

Toen Etta met haar dochter Bouwina op 3 augustus 1667 een tochtje maakte, werd hun wagen ingehaald door Willem en zijn knecht, beiden te paard. Ze gingen voor de kar rijden en dwongen die tot “wechwendinge”, het versperren van de weg[4]. Hij wilde niet dat Bouwina daar reed, waarop haar moeder protesteerde “off men geen heeren- ende publijcke wegen muchte gebruicken.”

Willem bleek ook in een andere situatie eergevoelig te zijn. Op 4 augustus 1667 had Willem Clant aan Ludolph Coenders, de broer van Etta en haar juridische adviseur, laten weten “omme tijdt ende plaatse te noemen alwaer sij malkanderen met een pistole offte rapier sulden ontmoeten, uit oorsaecke dat de Heer Conders gesecht hadde, dat Juffer Bauwina Auwema liever an de kaecke soude sien dan hij haer soude trouwen”. Deze zeer eerverkortende en infame uitspraak liet Willem dus niet over zijn kant gaan. Dit is de enige keer dat een schaker iemand van de tegenpartij uitdaagde tot een duel.

Willem ontmoette Bouwina heimelijk en ze kregen een relatie. Bouwina, moegestreden van alle weerstand van haar moeder Etta tegen een eventueel huwelijk met Willem, maakte zich met hem uit de voeten in maart 1668. Zij huwden in hetzelfde jaar. Deze tweede schaking kwalificeer ik als een schaking die past in de figuratie De Weigering.

Willem werd in oktober 1668 levenslang verbannen wegens de schaking in maart 1668, niet voor die van juli 1667. Daarbij wogen de “wechwendinge” en de dreiging met het duel mee. Ook het huwelijk met Bouwina werd ongeldig verklaard. Bouwina had het financieel zwaar, zwanger als zij was en nu gedwongen verlaten door haar man. Ze verzocht de Hoofdmannenkamer, een rechtsprekend- en bestuurscollege dat was gevestigd in en werkte voor de stad Groningen, te zorgen dat zij haar vaderlijk erfdeel zou ontvangen. Haar moeder werkte daaraan niet graag mee, ook niet toen zij daartoe gedwongen werd door uitspraken. Via een venia aetatis, een verklaring van meerderjarigheid, kon Bouwina toch haar erfdeel opeisen. Door de ongeldigheid van het huwelijk was zij weer minderjarig geworden, wat nu dus werd gecorrigeerd. Bouwina en Willem vroegen en kregen pardon van de burgemeester en raad. Ze kregen gratie nadat de raad positief advies van verwanten had ontvangen. De verbanning eindigde en hun huwelijk werd weer hersteld.

Willem kreeg evenwel het dringende bevel om zich niet in de buurt van Ludolph Coenders te begeven totdat “genoegsame reconciliatie” zou zijn geschied. Als hij hem toevallig tegen het lijf zou lopen in de stad, zou hij hem “moeten respecteren ende behoorlijcke eere toe dragen, bij verlies van de vercregen gratie”. Willem liet zich daar niet door weerhouden en bejegende Coenders met minachting. Dat leidde tot een verbod om zich op de Grote Markt op te houden. Toen hij dat verbod overtrad en daar een niet genoemd persoon “ter oorsaecke alsdat hij hem nae behooren niet en soude hebben gesalueert, opentlijck heeft aengetast en gestoten” werd hij veroordeeld tot veertien dagen gijzeling en daarna verbannen uit de stad. Tonckens zag hierin niets anders dan “vaderlijke zorg” voor de heethoofdige Willem Clant en zijn jonge vrouw. Het karakter van Willem kan echter ook gelezen worden als meer dan normaal eerbewust, met een gevoelig point d’honneur. Zijn lichte ontvlambaarheid was in de stad niet gewenst en daarom zag de overheid zich genoodzaakt hem uit de stad te verwijderen. Een eerstraf dus.

 

Machtsstrijd om Truda Clant en haar vermogen

Truda verbleef de dagen na 18 juli 1667 met haar tante, Lucas en Willem Clant in Spijk. Haar oma Etta Coenders zocht hen op. Ze mocht haar dochter Bouwina Auwema en kleinkind Truda Clant wel spreken, maar niet meenemen. Zij ging toen naar de lokale rechter om een klacht in te dienen. Die zogeheten redger van de Vierburen[5] voerde eind juli 1667 een onderzoek uit naar de ontvoering en sprak daartoe beide meisjes op de borg te Spijk. Die verklaarden zoals we zagen dat de schaking geheel op hun verzoek was geschied. Ze hadden weliswaar een eerdere getuigenis ondertekend op verzoek van Etta Coenders, maar wat daarin stond hadden ze niet gelezen en dus ongezien getekend. En daarin stond juist dat ze wel tegen hun wil waren vervoerd. De redger concludeerde dat er geen misdrijf was gepleegd, maar riep toch de daders op. Hij deed dat vermoedelijk om de burgemeester en raad van de stad voor te zijn. De redger begreep dat die een criminele vervolging zouden instellen. Als hij nu de mannen zou berechten voor het ‘misdrijf’ dan kon de stad verder geen actie ondernemen. Deze stap was een geval van preventie, het uit de middeleeuwen stammende juridisch beginsel dat wanneer een rechter zich een zaak, waarvoor ook een andere rechter bevoegd was, zich had aangetrokken, die zaak niet meer voor de andere rechter kon worden gebracht[6]. Op deze wijze blokkeerde hij de rechtsgang van de stad. Lucas en Willem Clant werden door het gerecht in Vierburen op 30 september 1667 vrijgesproken.

Er werd door Ludoph Coenders ook een klacht wegens kwaadwillige ontvoering neergelegd bij de burgemeester en raad van Groningen. Die verschilde van de bovengenoemde klacht. Die van Etta noemde de ontvoering niet en bevatte geen beschuldiging. Zij verzocht alleen maar om hulp bij het terugkrijgen van de meisjes. De redactie van deze klacht wees er niet op dat die in overeenstemming was met het bovengenoemde artikel 43. Maar de tweede klacht had wel die strekking. Daarin werden Lucas en Willem aangeduid als vervoerders, te straffen “na rigueur ende anderen ten exempel over sulck een ongehoort crimen ende malversatie.” Aangezien de schaking in rechtsgebied van de stad was gepleegd, moest de klacht in de stad worden behandeld. De klacht van Spijk ging uit van het Ommerlander Landrecht.

Ludolph Coenders verwees naar de in zijn ogen soortgelijke raptus uit 1664 door Johan Diederik de Mortaigne van Catharina van Orliens. Het stadsbestuur besloot om tien soldaten naar Spijk te sturen om de beide jongedames “op de gevoechlijkste wijse herwaerts te brenghen” en bij tegenstand wapens te gebruiken. De vogels bleken echter bij hun aankomst gevlogen. Truda was naar Godlinze in het noordoosten van de provincie gegaan.

Coenders moest dus een nieuw rechtsmiddel inzetten om Truda terug te krijgen. Hij liet door het Hoofdmannenkamer een de relaxando captivo opstellen tegen de redger, of lokale rechter, van de streek de Vierburen, waaronder Godlinze viel. Die moest de twee jongedames uit hun ‘gevangenschap’ halen. De redger wilde echter niets doen zonder overleg met de Gecommitteerde Raden van de Ommelanden, de vijand van de stad. Die protesteerden tegen deze in hun ogen exorbitante handelwijze.

Het protest van de Ommelanders werd op 10 augustus voor de Hoofdmannenkamer gebracht. De eis werd aan Coenders toegewezen, Truda moest vrij. Maar dat gebeurde niet, ze was naar andere plaatsen vervoerd. Coenders richtte zich opnieuw tot burgemeester en raad van de stad om haar met militair geweld op te sporen. Maar die zonden dat verzoek weer door naar een andere rechtsinstantie.

Ludolph Coenders had getracht via een militair ingrijpen en via een civiele manier een restitutio spolii te krijgen, vrij vertaald het teruggeven van het gestolen goed aan de rechtmatige eigenaar. Met andere woorden het terugbrengen van Truda in de macht van haar grootmoeder Etta Coenders. De derde weg, via een strafrechtelijke actie, werd nu ook ingeslagen. Ludoph Coenders wees de schepenen van de stad op de schaking door de twee jonkers Clant gepleegd. Hij verzocht de stad om ze gevangen te zetten. Maar die kwamen dat tijdig te weten en doken onder in de Ommelanden. Hen werd door de stad verboden ooit met de “geabripieerde”, ontvoerde juffers te trouwen.

De voogden aan moederszijde werden door de Coendersen aangeklaagd. Die zouden de ontvoering hebben voorbereid en begunstigd. Ze wilden hen uit de voogdij ontslaan en zelf bepalen met wie Truda zou huwen. Maar die gingen daartegen in beroep. Zo werkten beide partijen via de rechter aan tal van vertragende en uiteindelijk doodlopende procedures.

Truda en Lucas huwden ondanks het verbod toch. De voogden van moederszijde waren akkoord, Etta en consorten niet. Het huwelijk werd vermoedelijk in Loga in Oost-Friesland gesloten. De tegenstanders zagen hierin een voortgezette wegvoering van een dertienjarig meisje. Naast huwelijkstoestemming ging nu ook de overdracht van goederen aan het paar spelen.

Etta en Ludolph deden er alles aan om het vrijgeven van de goederen van Truda te vertragen, ondanks tal van aanzeggingen en vonnissen. Ludolph zou zich baseren op de resolutie van de Staten van Holland van 2 april 1664 die Mortaigne en Catharina van Orliens verboden te huwen en, als ze dat toch deden, Mortaigne geen geld zou mogen ontvangen. De autoriteiten in Stad en Ommelanden wilden echter de zaak niet zo scherpstellen. Dat bleek uit de herziene vonnissen. De ‘rapt’ van Truda was door de voogden toegestaan. Er had geen schaking plaatsgevonden.

Etta en haar broer trachtten ook de kerkelijke afkondigingen te verhinderen. Etta wees op de jonge leeftijd van Truda, 13 jaar. Er was een huwelijk in 1667 ontstaan waarbij het meisje de iure was gehuwd met Lucas maar bij haar voogden bleef. Pas toen zij 15 was, en dus huwbaar volgens het stad Groninger recht, kon de facto het samenleven beginnen. Een volgende actie van Etta betrof de toestemming van Truda. Die moest onomstotelijk zijn. Volgens de verklaring die Truda in Spijk had afgelegd was die twijfelachtig. Het sterkste punt van de Coendersen was dat het proces wegens rapt was onderbroken of stilgelegd, waardoor geen uitspraak kon worden gedaan over de geldigheid van het huwelijk. Uiteindelijk lieten de Coendersen de zaak zoals die was.

 

Katalyserende werking

In processen van schaking zoals we die in de andere figuraties zien, verandert de machtsafhankelijkheid tussen de dochter (en de jongeman) enerzijds en haar familie anderzijds. In deze figuratie en vooral in deze casus is er een sluimerend conflict tussen families dat tot uitbarsting komt wanneer een jonge erfgename de facto uit de macht van de ene familie in de macht van de andere komt. De machtsafhankelijkheid van de dochter van haar familie is van ondergeschikt belang, in tegenstelling tot de machtsafhankelijkheid tussen de beide families. De ‘machtsoverheveling’ maakt deel uit van het conflict. Die heeft een katalyserende werking.

De strijd tussen de families, hoe onoverzichtelijk ook de familieverhoudingen soms op ons overkomen, gaat over macht, eer en kapitaal. Als de een wordt verkort, dan wordt de ander ook aangetast: verlies van macht betekent verlies van eer en kapitaal. Direct maar ook vooral indirect blijkt uit de acties van de betrokkenen hoe precair de eer van de familie was en hoe belangrijk het beschermen ervan. De strijd laat actie en reactie zien, evenals erehandel en aanpassingen van de eerposities als gevolg en oorzaak van die acties en reacties. Een voordeel van de ene partij werd beschouwd als een nadeel van de andere, op grond waarvan actie vereist was: een zero-sum spel, dat zelfs voortging nadat de oorzaak van het spel allang uit het zicht was. Daarom duurde het zo lang voordat er een definitieve oplossing kwam. De strijd zelf rond de ‘schaking’ was al gestreden.

We zien in deze casus goed hoe het schakingsvertoog als middel werd ingezet in de strijd tussen de families. Je zou kunnen zeggen dat men zelfs het zware middel van het beschuldigen van schaking niet schuwde. Daarop stond ook in Groningen de doodstraf.

[1] Tonckens, N., ‘Een ontvoering in Stad en Lande in de zeventiende eeuw’ Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis 30 (1962) 5-57. Hierin zijn ook de teksten van relevante documenten weergegeven.

[2] Tonckens (1962), 6.

[3] Tonckens (1962), 11 en 23.

[4] WNT: “wegwendige” (niet: wegwendinge).

[5] Vóór 1795 werd onder Vierburen het gebied van de dorpen Godlinze, Losdorp, Bierum en Spijk verstaan. Dit gebied vormde één rechtsstoel en één waterstaatkundig verband, namelijk het Dijkrecht van de Vierburen.

[6] Tonckens (1962), 24.