Maria van Wassenaer van Duijvenvoorde en Wolf Heinrich Sältzer van Elwingen

Geplaatst

Vorm:       Overrompeling
Jaar:          1639
Gewest:    Holland
Plaats:       Duijvenvoorde

 

“Secretelik”

De familie Van Wassenaer was in Holland in de zeventiende eeuw een zeer aanzienlijk en machtig geslacht. Johan van Wassenaer, heer van Duijvenvoorde (1577-1645) had acht kinderen. Uit het eerste huwelijk met Maria van Voorst had hij twee dochters: Theodora (1607-1679) en Machteld (1609-1654), en een zoon, Arent (1610-1681). Uit het tweede met Clara de Hinojosa (1587-1631), dochter van de president van het Hof van Holland, kwamen de zoons Pieter (1616-1669) en Willem (1619-1661) en drie dochters Elisabeth (1613-1662), Maria (1618-1651) en Petronella (1621-1690) voort. Maria moet in 1639 contact hebben gekregen met Heinrich Sältzer. Hij was knecht van graaf Artichovski die door haar vader als gast was uitgenodigd[1]. Maria’s broers legden ongeveer negen jaar later vast dat Heinrich zich had “vermeten secretelick kennis te maeken aen Joffrou Maria van Wassenaer, doemaels noch Jonck sijnde van Jaeren, ende mits denselffs indispositie van Lichaem[2], noch nijet ofte weinich bij de menschen opgetrocken, ende door de gelegentheijt van alle t’selve”. Zij reconstrueerden de eerste kennismaking als volkomen onacceptabel, want heimelijk, dus buiten hun kennis plaatsvindend. Heinrich was ver beneden hun stand. Hij misbruikte haar slechte gezondheid en geringe mensenkennis. Zij werd dus geacht niet verantwoordelijk te zijn voor wat er gebeurd was, de schuld lag bij Heinrich. Uit het woord “vermeten” volgt ook dat de broers ervan overtuigd waren dat Heinrich zelfs een vooropgezet plan had, wat in hun ogen de aard van de omgang nog dubieuzer maakte. Een paar personeelsleden bevestigden op 6 november 1648 op verzoek van Maria’s oudste broer Arent van Wassenaer dat negen jaar eerder Sältzer “correspondentie hielt met Juffrou Maria”[3]. Er lijkt dus sprake van een relatie die ‘toevallig’ door het bezoek van de graaf aan haar vader tot stand kwam. De verhouding was geheim voor haar broers en vader, die toen nog leefde, maar niet voor het personeel.

 

Drie keer weg

Maria van Wassenaer was in 1639 heimelijk – voor de eerste keer – door “de turffkelder uijtgelaeten geworden door den stalknecht”. Ze ging (alleen of met een meid?) zonder Heinrich op weg naar een plek in Den Haag waar ze echter snel werd gevonden. Haar broers suggereerden in hun verklaring jaren later zonder het woord te gebruiken dat er sprake was van doorgaan, zoals het schakingsvertoog dat benoemt. Heinrich had namelijk volgens hen haar “weeten te debaucheren ende verleijden dat sij op seeckeren tijt des avonts (haer welgemelte Heer vader sijnde uijt eeten) haer secretelick heeft begeven uijt het huijs van denselven Heer vader, met meeninge om met den voornoemden Sältzer wech te loopen, ende haer buijten s’Landts te begeven.”[4].

Haar vader was geschokt en strafte haar zeer streng. Het “voornemen en feit te wesen t’eenemael ignomineus ende infaem, voor sijne naem ende geslachte, geresolveert heeft haer noeijt meer te laten commen onder sijne oogen, maer haer, soo op sijn Huijs te Duijvenvoorde, als in sijn Huijs inden Haege te doen opsluijten ende bewaeren.” De vlucht wierp een grote smet op de familie, die dat alleen kon ‘repareren’ door haar op te sluiten. Tijdens deze bewaring, die nota bene zes jaar duurde, bleef Sältzer heimelijk met haar corresponderen. Hij overtuigde haar dat zij hem trouw moest blijven en niet verlaten, in de hoop dat zij na haar vaders overlijden zouden kunnen huwen. Op 25 mei 1643 stelde ze, nog steeds gevangen, een huwelijksbelofte op “met handt ende bloet geschreven ende geteijkent”. Dat gaf aan hoe sterk zij met hem verbonden was. Haar verliefdheid was dus niet geknakt door haar geïsoleerde bestaan. De tekst luidde: “hiermede beloof ick inde tegenwoordigheydt Godts en oock Godt tot getuyge dat ick dit met een oprecht hart belooff mr. Sältzer van Elwingen nu hiervoor Godt die alles int verborgen weet dat ick U edele hoogheid als mijn echteman aanneem nu en tot inde eeuwigheyt U edele niet te verlaeten ende wille tot den doot om dese belofte te volbrengen soo wilt Godt sijn seegeninge en sijn genaede geven Amen”. De knecht Heinrich Sältzer blijkt nu mr. (Wolf Heinrich) Sältzer van Elwingen te heten. Vond hij deze statusverhoging nodig om zich beter te kunnen meten met de stand van Maria en haar broers? Het droeg bij aan de ‘horizontalisering’ van zijn eerrelatie met de van veel hogere stand zijnde Maria. Datzelfde patroon zien we terug bij Eva Cohen en Michiel Verboom en, zoals we in hoofdstuk De Weigering zullen opmerken, bij Johanna Catharina van Rietveld en Adriaan ten Haghuijs. Deze huwelijksbelofte was uiteraard opgesteld buiten weten van haar familie. Maar we kunnen hieruit wel afleiden dat er voldoende mogelijkheden waren om contacten te onderhouden, zelfs na al die jaren.

In 1645 naderde het einde van het leven van haar vader Johan. Op zijn ziekbed, mede door smeekbeden en aandringen van zijn naasten, besloot hij om Maria haar fouten te vergeven en haar zijn vaderlijke zegen te geven. Zij moest dan wel beloven zich beter te gedragen. Ze moest Sältzer vergeten en de huwelijksbelofte intrekken. Dan kreeg zij vergeving onder de nadrukkelijke voorwaarde dat zij al deze afspraken moest nakomen. Haar broers zouden toezicht houden op haar belofte. Die werden dus ‘executeurs’ van zijn laatste wil. Huilend accepteerde ze de uitgestoken hand, in aanwezigheid van diverse getuigen rondom het sterfbed. Ze beloofde zich niet meer met Sältzer in te laten. Deze indrukwekkende scène lijkt sterk op een accommodation zoals beschreven door Haase-Dubosc[5]

Desondanks bleef ze contact houden met Sältzer. Toen haar broers hiervan hoorden, ondernamen ze woedend actie. Ze pakten met geweld de sleutel van haar kast waarin brieven en geld lagen. Vervolgens sleepten zij, dat wil dus zeggen deze adellijke heren persoonlijk, haar naar een stal. Maria beschreef deze gebeurtenis in september 1648 in een relaas van wat haar vanaf juni was overkomen. Gezien de nimmer door de broers ontkende, uitzonderlijk gewelddadige handelingen volgt dit verhaal in enig detail. In geen van de andere casussen is sprake van zo’n verregaande fysieke vernedering door de eigen familie. Zelfs het geweld bij schakingen van een jonge vrouw die zich verzet en die ik in hoofdstuk VIII De Eigenrichting bespreek, is relatief bescheiden te noemen.

In die stal was Maria zo hard geslagen dat haar broers dachten dat zij zou sterven. Volgens Maria riepen ze “O godt noe sall men segge dat wij onse Suster vermoordt hebben”. Juist in deze barre situatie maakten ze zich druk over hun reputatie! Ze werd naar Delft gebracht in een “Doll Huijs”. Haar oudste broer had haar daar in een kamertje ”schandelick gesuffletteerth” en gezworen dat hij Sältzer binnen vier dagen zou vermoorden en zijn lichaam voor haar voeten zou smijten. Suffletteren betekent met de hand in het gezicht slaan, een oorvijg toedienen[6]. Dit was een vernederende handeling, waarmee de toediener nadrukkelijk zijn weerzin en verachting jegens het slachtoffer toonde. Dit gebeurde echter waarschijnlijk zonder publiek of getuigen. Maria weigerde een stuk te ondertekenen waarin zij verklaarde haar liefste te verlaten. Toen de broers vernamen dat Wolf, zoals Heinrich zich vaker ging noemen, bij de magistraat had geklaagd over “deese on Christelijke gewelt” lieten zij haar door hun knechts op “onbehoorlicker wijse” uit het dolhuis slepen, dreigend haar handen en voeten vast te binden. Het inzetten van knechts is ook te zien als uitermate vernederend. De broers beschouwden haar niet langer als een van hen, van hun familie of als gelijke zoals haar zusters en schoonzusters. Ze was met geweld in een verticale eerverhouding gedwongen. Haar restte uitstoting en vernedering.

Volgens haar eigen relaas vervoerde men haar naar Overschie waar ze in een schip werd gesmeten. Haar jongere broer Willem eiste weer dat zij een belofte om Wolf te verlaten zou ondertekenen, onder dreiging haar te doorsteken. Maar uit gewetensnood kon ze dat nooit doen. Hij vertrok met de mededeling dat zij de rest van haar leven gevangen zou blijven. Het schip voer naar Arnhem, vandaar terug naar Rhenen en toen weer naar Arnhem, met twee van haar broers’ knechten en de schipper alleen, zonder dat er een vrouw bij haar was. En dat terwijl zij soms enkele uren buiten bewustzijn was, “een saecke voorwaer strijdente direcktelick deegens alle wetten van Modestie ende eerbaerhijt”. Zelfs dochters die met geweld waren geschaakt, ondergingen minder geweldloze behandeling, schreef Maria.

Wolf besloot vermoedelijk in juli 1648 via zijn advocaat Simon Steijn een verzoek in te dienen bij het Hof van Holland. Hij merkte daarin op dat hij door Maria was ontboden uit Duitsland om de trouwbeloften in facie ecclesiae te solemniseren. Haar broers beletten dat zonder enige redenen, terwijl hij “is een gequalificeert Edelman van goeden huijse ende onbesproocken van leven”. Ze probeerden haar “hier van daen tegens haeren wille te transporteren in eenige uijtgelegen plaetse” om alle communicatie af te snijden. De broers dreigden hem te laten arresteren door de baljuw van Den Haag “en in een gadt te doen smijten”. Hij wilde het Hof de broers verbieden “de voorseide Juffrouwe Maria van Wassenaer tegens haere wille te vervoeren”. Met deze formulering lijkt Wolf het schakingsvertoog om te draaien en op de broers te richten. Trachtte hij nu hen te beschuldigen van schaking? Hij eiste ook dat het de baljuw van Den Haag verboden werd hem te molesteren of arresteren, en, integendeel, hem te helpen bij het laten voltrekken van het huwelijk. Maria moest worden bevolen haar trouwbelofte na te komen, of de commissarissen van het Hof vertellen waarom ze dat niet kon doen. Maria was al lang meerderjarig.

Blijkbaar waren deze eisen te hoog gegrepen, want er gebeurde niets. In een tweede rekest aan het Hof van Holland gaf Wolf aan te beseffen dat de broers haar niet wilden laten gaan. Hij stelde dat hij geen geweld of “onbehooren manieren” had gebruikt tegen Maria. Hem was geadviseerd om maar weg te blijven en met haar broers te onderhandelen, zodat hij kosteloos en schadeloos van de trouwbeloften zou kunnen worden ontslagen. Hij praatte al drie weken met hun twee advocaten en had diverse voorstellen gedaan, die aan de broers waren voorgelegd. Hij had nog niets gehoord en kon niet vertrekken voordat de zaak was afgehandeld. Hij verzocht het Hof om beide heren uit te nodigen voor een gesprek met een commissaris van het Hof en dat de zaak dan zou worden afgehandeld. Daarmee stemde het Hof in. De partijen moesten op 21 juli 1648 verschijnen.

Deze actie van Wolf laat zien dat hij tot een persoonlijke accommodatie wilde komen, een schikking, waarin hij aanbood de trouwbeloften te verbreken mits hij geld zou ontvangen. Wat Maria van deze stap vond, is niet bekend. Gezien het verdere verloop van de zaak, waarin het paar ondanks alles bij elkaar bleef, is deze poging opmerkelijk te noemen. Als de broers hadden ingestemd, had Maria haar steun en toeverlaat verloren en zou ze er alleen hebben voorgestaan. Wolf was volstrekt niet Satisfaktionsfähig, in die zin dat de broers hem niet de eer wilden geven hem op gelijke voet te behandelen. En dat het hen om de eer ging, blijkt uit het feit dat zij juridisch geen enkele basis voor hun handelen hadden, want Maria was volwassen en had geen ouders meer die volgens de Politieke Ordonnantie zouden kunnen protesteren. Ook religieuze motieven ontbreken in deze zaak. Het blijkt ook uit de wijze waarop zij zich door Maria gedwongen voelden hun familie-eer te beschermen tegen haar gedrag. Zij was het die zich niet hield aan die emotionele en belangrijke belofte die zij aan het sterfbed van haar vader ten overstaan van velen had afgelegd. De plechtige accommodatie en de eedaflegging op dat bijzondere moment was een zaak van eer. Het breken ervan maakte een tweede accommodatie onmogelijk. We zien dat ook bij Hermanna de Baecke die haar belofte schond om nooit meer contact te hebben met Derck Willemsen Plaet, welke eed ook zij voor haar familie had bevestigd. Dat maakte haar vader razend en leidde tot de definitieve verwijdering tussen beiden.

Op 21 juli 1648 verscheen advocaat Van der Goes namens de broeders voor de commissarissen van het Hof. Maar Wolf was niet komen opdagen. Volgens diens raadsman Simon Steijn zou dat zijn omdat de oproep Wolf niet had bereikt. Van der Goes toonde enkele liefdesbrieven van Wolf. ”Daeruijt bleeck dat de vervolginge die bij den Requirant aende voorseide Jouffrouw Maria van Wassenaer althans gedaen wierden, was een continuatie van voorgaende amours daerover haer heer Vader zaliger in sijn leven haar hadde opgesloten, ende in bewaernisse gestelt”. Wolf bleef dus, conform het schakingsvertoog, gezien worden als de kwade genius die ondanks de legale pogingen van Maria’s broers doorging met haar lastig te vallen. Veel hielp dit niet om de zaak in der minne te schikken. De commissarissen lieten het er kennelijk bij.

In Arnhem werd Maria gevangengehouden in een burgerhuis, waar zij ziek werd. Haar halfzusters weigerden haar een arts en predikant “vijt vreese sij haere nooth moogte klaegen”. Daar zat ze zeven weken totdat ze via een venster – voor de tweede keer – kon ontsnappen met hulp van Wolf. Samen reisden ze naar Huissen, een katholieke en Brandenburgse enclave nabij Arnhem, met het doel om daar te trouwen. Maar ze werd achterhaald door haar zusters en een aantal ruiters in dienst van de Republiek “gelijk straetenrovers op den frijen weg met geweldt en drijgementen van de door schieten aengetast”. Niet voor het laatst wisten de broers publieke middelen aan te wenden om hun zin te krijgen.

Ze brachten haar, zonder Wolf, terug naar Arnhem. Ze werd door haar zusters op eigen autoriteit gevangengezet in de Sint Janspoort. Die hadden kennelijk de macht om haar te doen opsluiten. Maria schreef diep getroffen aan Wolf dat men daar, “alwaer bleegt (pleegt -rh) Hoeren en Dieven te setten (in bewaring te houden -rh), haer stracks van al haer kleeren ontblootet en inmodestelick van achter en van vooren onbehoorelick met gewelth besocht, naer eenige briefen van uwen liefften”.

Uit andere getuigenverklaringen door de advocaten van Maria verzameld, blijkt dat deze gedwongen transporten niet bepaald heimelijk plaats vonden. Marie riep uit de koets waarin zij met haar zusters zat om hulp. Daarop reageerden wel 25 “wijven” met kreten als “hulp ende moort”. Een getuige beaamde dat “Joffrou Maria van Wassenaer tot verscheidene reijsen int openbaer ende met helle woorden seer erbarmelicken gekarmt, geclaecht ende met gevouwen handen geroepen heeft O lieve Heer helpt mij, o heer helpt, ende Goede luijden helpt mij hier uijt, slaende met een opent gordijntgen van carosse, soo dat die luijden daer over die tranen van haer oogen over liepen”. De ingezetenen in de stad roerden zich om de juffrouw te bevrijden en uit de karos te krijgen. Dat er problemen werden verwacht, bleek wel uit de begeleiding van de karos door vier ruiters “te peerde met haer behoorlick geweer”. De getuigen kenden deze ruiters bij naam. De koets ging zo snel dat die haast van een brug viel. Anderen beschreven haar verblijf in de Sint Janspoort, de gevangenis in Arnhem. Omstanders buiten de poort vroegen haar of ze niet een advocaat of procureur wilde? Schreiend zei ze, doe dat, “want mij wordt van mijne susteren gewelt, onrecht ende ongelijck gedaen”. Ze wou dat ze door de muur kon “bersten ende dringen” om eruit te komen. “Off ick moet sterven eer het mij tijt is”. Ze was zo geroerd, dat de tranen over de ogen van de omstanders liepen. Wel 25 mensen huilden. Een aantal personen is hulp gaan halen, maar bij terugkomst was ze naar een andere kamer gebracht en het venster was toegedaan door de cipier.

Volgens Maria’s eigen verhaal haalden haar zusters haar na 30 uur weer “uijt eijgener outhoritijth” op en voerden haar naar Rozendaal, waar haar “false susters” op haar inspraken als: lieve zuster we weten dat je je niet aan je liefste kan onttrekken, onderteken dan toch deze schuldbekentenis van 400 gulden, die wij om jouw wil hebben voorgeschoten aan de ruiters, en als je akkoord bent, dan mag je gaan en staan waar je wilt. Dus had ze die ondertekend, en is toen naar Dieren gebracht om daar een schip te zoeken waarmee ze naar een plek naar keuze kon reizen. De zusters gaven haar 10 gulden, een kus en namen vriendelijk afscheid. Ze moest de schipper maar zeggen waar ze heen wilde. Toen ze op het schip was, bleek ze verraden.

De zusters riepen namelijk tegen de schipper dat hij haar brengen moest naar een plaats zoals afgesproken. Ze verbleef drie à vier weken op dat schip en voer op de IJssel en Lek en Zuiderzee, dag en nacht op blote planken liggend, zonder verschoning van linnen. In Strijen achter Dordrecht zou ze op een ander schip worden geplaatst om naar Guinea in Afrika te worden vervoerd, “der gelijcke noijt geboorth is geworden”. Een andere getuige had begrepen dat de tegenpartij haar wilde “vervuijren nae venetien”. Maria wist tijdens die tocht de aandacht te trekken van omstanders. Ze kon – dus voor de derde keer – ontsnappen naar Beijerland, net voordat een legereenheid van “25 vuijrroers” die naar haar was gestuurd door de Gouverneur van Willemstad aankwam om haar op te halen. Maria ging met twee vrouwen terug naar Arnhem.

Maria’s verhaal is indrukwekkend. Het is niet te verifiëren, doch om het af te doen als framing gaat te ver. Vergelijken we haar verslag met de briefjes van Anna van Wouw, van Margaretha van Boshoff en van het relaas van Hermanna de Baecke, dan kunnen we constateren dat de mishandeling van Maria geen uitzondering was en niet op zichzelf stond.

 

“Tot disreputatie van haer ende onse illustre afkomste”

Maria van Wassenaer schreef in de zomer van 1648 aan Wolf Sältzer van Elwingen dat ze vier weken gevangen was geweest op een schip en overal gevaren had. Hij moest “sito sito”, snel snel, komen naar haar geheime plaats om met haar te trouwen. Ze meldde dat ze “swaer” was, zwanger. Ze voelde zich heel bedroefd dat hij er nu niet was. De pogingen om hun huwelijk te solemniseren, zetten ze voort. Wolf liet vanuit zijn geboorteplaats Glanodernheim door de plaatselijke pastor attesteren dat hij “von gutem Adelichem her kommen ist”. Zijn vader was gesproten uit het oude adellijke geslacht der edelen van Elwingen. Zijn broer Johan Hartman Sältzer van Elwingen leefde nog. Zijn moeder was een eerbare en deugdrijke vrouw, dochter van een landschrijver uit Kaiserslautern. Wolf was in 1618 geboren te Odernheim, en goed en deugdelijk opgevoed.

Het paar stelde te Arnhem op 15 september 1648 huwelijkse voorwaarden op. Als morgengave[7] zou ze van hem ontvangen, als hij als eerste zonder kinderen zou overlijden, 4000 Rijksdaalders. Maria liet vastleggen dat hij, als zij als eerste zonder kinderen zou sterven, een som van 3.000 Rijksdaalders zou krijgen.

Haar broers en hun medestanders beraamden de volgende stappen tegen het paar. De voornaamste was hun poging om eventuele solemnisering te stuiten omdat er al in Holland een zaak aanhangig was gemaakt. Ze lieten gerenommeerde juristen verklaren dat dat nu aan de orde was. Een tussenvonnis van het Hof van Gelre van 25 oktober 1648 bepaalde echter dat de broers op 18 november voor dit Hof moesten verschijnen. Deze oproep volgde op een rekest van Maria en Wolf. Ze wezen het Gelderse Hof erop dat Wolf van “Adelicke affcompste” en van “esgale conditie is”. Maria stond niet onder iemands “macht ende tutele” omdat haar ouders waren overleden. De huwelijkse voorwaarden waren opgesteld en het huwelijk was copula carnali voltrokken.

Haar broers verzamelden getuigenverklaringen die moesten aantonen hoe Maria in 1639 was doorgegaan met Wolf en hoe zij was vergeven door haar vader Johan voor de grote “faulte ende voornemen” die zij had begaan om buiten zijn kennis en wil “elders haer te equarteren ofte vertrecken”. Zo verklaarden personen die bij het sterfbed van haar vader Johan stonden, dat Maria een belofte had afgelegd, dat ze was vergeven “onder conditie ende belofte bij de voornoemde Juffrouw Maria aenden meergemelten haeren Heer Vader saliger gedaen van haer naemaels Godtsalichlicke eerlick ende nae haere geslachte betamelick te sullen gedragen”. Een andere stap betrof het ageren tegen het niet komen opdagen van Wolf op 21 juli 1648 om tot een akkoord te komen. De toen getoonde liefdesbrieven bewezen dat hij onbehoorlijk en onwettig zijn voornemen van negen jaar terug continueerde. Er was toen een raptus begaan met de minderjarige Maria, welke zaak niet was afgedaan. Een andere actie werd vervat in een rekest door de broers aan het Hof van Gelre waarin ze reageerden op een klacht van Wolf over de gestaakte kerkelijke proclamaties. De opgeroepen predikant werd ondervraagd, die verklaarde dat de proclamaties alleen mochten voortgaan in de plaats waar de personen woonachtig waren. Anders waren ze clandestien, nul en van geen waarde. Maria en Wolf hebben nooit in Arnhem gewoond. Dus hun verzoek om de geboden te laten gaan, kon volgens de broers niet slagen.

Maar de zaak verliep traag, voor het paar veel te traag. Begin december 1648, in een door Maria geschreven brief namens Wolf, klaagden ze daarover. Ze wilden voortgaan met de proclamaties. Ik lees hieruit dat hun eer de publieke erkenning van hun huwelijk vereiste, nu de “echtschap tussen Supplianten onverbreekelijck en onwederspreekelijck is, iae dat meer is, de Suppliante swanger en de vrucht van dien geboren sijnde voor de solemnisatie in Duitslant”. Het paar wees ook op de vreemde constructie dat het niet zo kon zijn dat “d’een Broeder off Suster d’ander mundich sijnde het trouwen niet beletten” terwijl andere familieleden “hetselve houwelick approbiert ende ratificiert als uijt hierbijgaende brieff te sien.” Die bijgaande brief was van 9 december 1648 van een zuster van Clara de Hinojosa, de moeder van Maria. Zij heette Catharina de Hinojosa en schreef aan het Hof van Gelre dat “sonder publijcque Schande ende infamie onsen Edelen Huijse aen te doen haar voorgenoomen huijwelijck niet kan werden belett waer door wij bewoogen werden omme alle schandael van onsen geslachte af te weeren”. Ze verzocht om snelle beëindiging van het proces. Ze vond het beter dat haar nicht “door trouwe wert geecht” dan dat door het beletten van dien de weg naar erger zou worden geopend. De zaak was zover gekomen dat haar neven en nichten “haer soo harde tegens het voorseide houwelijck inspannende, seer qualijck sijn bedacht, tot disreputatie van haer ende onse illustre afkomste, verkeerdelijck poogende.” Deze brief toont aan hoe diep de familie in haar eer was gekrenkt, maar ook dat het beschermen van die eer schade toebracht aan de reputatie van de familie, althans volgens deze tante. Binnen de familie had Maria’s zaak kennelijk tot een scheuring geleid. Dat een vrouwelijk lid van de familie zich zo nadrukkelijk met de eerstrijd bemoeide, zegt iets over de emoties en de machtsstrijd.

Op 15 december 1648 bepaalde het Hof van Gelre dat de partijen stukken moeten sturen om het Hof tot een besluit te laten komen. Op 14 januari 1649 diende de partij van het paar een memorie in “in cas van egtschap” tegen de broers Arent, Willem en Peter. Zij betwistte het argument dat de zaak al in Holland aanhangig was gemaakt. Ook ging men weer in op de poging tot accommodatie. De tegenpartij had de zaak slepende gehouden, geen reactie gegeven en niet geprobeerd om Wolf “eenige satisfactie te doen”. Maria hadden ze onderwijl uit de provincie gesleept. Dat er geen akkoord was gekomen, lag verder aan de tegenpartij. Hun eisen moesten worden afgewezen.

Wolf had voor zijn standpunt de mening van twaalf Haagse juristen laten optekenen in een casus positio van 9 januari 1649. Die constateerden dat het paar gehuwd was, maar dat de broers de gewone voortgang van dat huwelijk verhinderden door Maria te vangen en rond te slepen. Hun huwelijkse voorwaarden, voor de Arnhemse magistraat gesloten, waren geldig. Toen zij verzochten om kerkelijke proclamaties werd dat door de familie belet. De juristen merkten op dat er nu een gesloten huwelijk aanwezig was, iets wat er voorheen niet was.

De deductie, het verweerschrift, van Arent en zijn twee broers van 31 januari 1649 was een herhaling van hun zware grieven. Wat dat betreft had de verzoenende stellingname van Catharina de Hinojosa geen effect. Nu kwam ook weer de vraag op of dezelfde zaak ook aanhangig gemaakt kon worden in Gelderland. De broers vonden van niet. Zij en Maria woonden in Holland, vielen dus onder de Hollandse wetten en rechters. Ten tweede zou het een ernstige zaak zijn wanneer een jonge vrouw uit Holland, “voor hebbende eenigh schandelick ende onbehoorlick houwelick” aan een andere provincie rechten kon ontlenen als zij daar een jaar en dag zou wonen en leven om daarna haar broers te dagvaarden om in te stemmen met het huwelijk. Maar ook in Gelderland waren er regels voor proclamatie om eventuele beletselen bekend te maken “als in ’s Gravenhage seeckerlijck van verscheiden anderen, waermede die voornoemde Joffrouw mede trouwbeloften heeft wtstaende sal geschieden”. Dus beriepen de broers zich op een uitzonderingssituatie of ‘excipientie’. Tegen Wolf was een actie ingezet om de beloften “faulte” te laten lopen op grond van de onwettigheid. Er kon geen huwelijk tussen hen plaatsvinden. Dus de belofte met bloed geschreven van 25 mei 1643 gold niet. Een uitspraak daarover behoorde voor het Hof van Holland te geschieden. De broers vonden de trouwbeloften onwettig en onbehoorlijk. Het was een zaak van “crimineel in cas van rapt” en daardoor was Wolf ipso iure inhabiel geworden om met Maria van Wassenaer te huwen.

Het Hof verwierp deze visie. Op 24 februari 1649 besloot het dat het huwelijk mocht plaats vinden, zij het buiten Arnhem[8]. Op 11 maart vond de huwelijksinzegening in Oosterbeek plaats. Arent moest ook de erfenis uitkeren die Maria van haar vader had geërfd. Terecht merkt Koene op dat Maria voor haar familie “dood” was[9]. De eerloosheid van Maria leidde tot haar uitstoting en kon niet meer worden hersteld. Het paar vertrok naar de woonplaats van Wolf. Rond 1657 moet Maria daar zijn overleden.

[1] Aa, van der, A.J., Biografisch woordenboek der Nederlanden (Haarlem 1852): “Artichofsky, Christoffel”: een Pools edelman en generaal in Staatse dienst, vestigde zich in 1639 in Den Haag. Hij had een paar jaar eerder zijn land moeten verlaten omdat hij lid was van een vrijzinnig protestantse groep, de Socinianen, die in het katholieke Polen niet meer werd getolereerd. Hij was in de Republiek in dienst gekomen van de West Indische Compagnie. Hij was als kolonel naar Brazilië gegaan waar hij zich buitengewoon dapper gedragen zou hebben. Hij was echter in conflict geraakt met Johan Maurits en werd ontslagen.

[2] WNT: ”indispositie”: niet (geheel) gezond zijn.

[3] Mevrouw L. baronesse van Wassenaer-Wiarda merkte in een aantal jaren geleden door haar opgesteld relaas over deze zaak op: “Van Maria wordt verteld dat zij ziekelijk was, en vanwege ‘desselffs indispositie van lichaem’ niet of weinig onder de mensen kwam. Als Maria daarom niet mee kon doen aan het uitgaansleven in Den Haag, en veel moest achterblijven in dat enorme huis heeft zij misschien gezelligheid, troost en warmte gezocht in de keukens. Wellicht was het personeel haar meer vertrouwd geworden dan haar eigen familie. In het souterrain kreeg zij wellicht ook andere dingen over het leven te horen dan daarboven.” Het verhaal van mevrouw van Wassenaer is mede de aanleiding geweest voor het artikel van Koene (2011).

[4] NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257; Koene, B. ‘De verboden liefde van Maria van Wassenaer’, Bijdragen en mededelingen. Historisch jaarboek voor Gelderland. Deel CII (2011) 161-204.

[5] Haase-Dubosc, D., Ravie et enlevée. De l’enlèvement des femmes comme stratégie matrimoniale au XVIIe siècle (Parijs 1999), 123-127.

[6] WNT: “sufflet”.

[7] WNT: “morgengave”: “Een geschenk van den man aan de vrouw, gegeven op den morgen na den eersten huwelijksnacht, en dat terstond eigendom van de vrouw werd; ook wel eene schenking, toegezegd bij de huwelijksvoorwaarden, en die alleen aan de vrouw ten goede kwam, wanneer zij weduwe werd en er uit het huwelijk geen kinderen in leven waren.”

[8] Koene (2011), 196 e.v.

[9] Koene (2011), 197.

 

 

Downloads, ongeveer 20 pdfs per keer:

NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257 (deel1).

NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257 (deel 2).

NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257 (deel 3).

NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257 (deel 4).

NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257 (deel 5).

NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257 (deel 6).

NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257 (deel 7).

NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257 (deel 8).

NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257 (deel 9).

NL-AhGldA Archiefnummer 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 5257 (deel10).